Het was de derde dokter die me zei dat ik moet slapen. (Of ik nog genoeg pillen had.) Ik zat daar met regenharen en kreeg allerlei kleverigs tegen het hart gedrukt. Een zachte hand rond mijn keel. (Of ik mijn jeugd niet wou gaan bespreken ergens.)
Een mooie man hield de deur naar de veel te donkere straat voor me open. De wind joeg me naar huis op een fiets zonder remmen. (Misschien even bevriezen in dat beeld, het licht nog op mijn rug.)
De muren hebben de hele avond geklopt. Ze sloegen de stilte uit mijn hoofd, maakten me klaar voor het wakkere bed.
Buiten kreunt nog steeds.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten