woensdag 28 december 2011


Aan hem valt niet te zien hoe levend hij nog is, en ik voel het evenmin. Hij heeft me een uur geleden opgebeld met de vraag om me nog een allerlaatste keer te mogen zien. Omdat ik hem pijn doe en zijn overleven in de weg sta.
Daarom zit ik nu tegenover hem in een rokerig café dat beetje bij beetje in mijn longen verdwijnt. We praten en lachen en doen alsof er nooit iets zal gebeuren. Het cafémeisje vervangt de asbakken op onze tafel sneller dan dat hij er peuken in kan uitdrukken. In dit stadium zuigt hij het leven uit alles waar hij zijn lippen aan krijgt.
De zilvergrijze plastic zak onthult cadeautjes. Hij – gelover in sprookjes - behandelde me altijd al als een prinses. Een cd van Morphine en twee boeken: “City” van Baricco en Modiano’s “In het café van de verloren jeugd”. Hoe verloren híj is, kom ik wellicht nooit meer te weten, maar ergens was het rouwen al begonnen.
De figuranten rond ons wisselen in fast motion, terwijl buiten de sneeuw tijdloos ligt. Soms gaat de deur open om koude wind rond mijn benen te draperen en ik zie hoe hij huivert. We drinken thee maar raken vandaag niet opgewarmd.
Een man is binnengekomen en heeft zich enkele meters vóór mij gezet. Op zijn hoofd een twijfelgeval tussen muts en dreadlocks, maar dat staat zijn charisma niet in de weg. De blik die hij het cafémeisje geeft wil ik ook.
Het is achter de schouder van de schim aan mijn tafel dat het leven begint.

Geen opmerkingen: