
Het is eind maart, half zes ‘s ochtends. In een groot appartement ergens in het nog donkere Brussel zit Romy in bad met een koe. In water dat stilaan in melk verandert.
Haar vriend, toen nog mens, was haar de vorige avond aan het station komen ophalen, na uren oponthoud doordat iemand zich voor de trein had geworpen. De ontsporing was in de laatste, toch al traag rijdende wagons nauwelijks merkbaar geweest; alleen een rilling door de metalen ingewanden – als een zucht van vermoeidheid, en toen niets meer. De paniek sloop pas aarzelend binnen nadat tussen reizigers en hen opwachtenden het telefoonverkeer op gang kwam. Wat door het treinpersoneel angstvallig werd verzwegen, was in het nabijliggende station zonder terughoudendheid omgeroepen. Ook de lijkbleke conducteur die heen en weer liep door de wagons en zich door een kluwen van vragen heen worstelde, hield de lippen stijf op elkaar. Romy zat tussen een groep verstandelijk gehandicapte kinderen, wier vragen na een uur wachten in de stilstaande trein steeds dwingender werden, en die plots bijna allemaal moesten gaan plassen of begonnen rond te lopen. De late namiddagzon kleefde tegen de ramen en hoewel het nog maar lente was, werd het toch warm en vooral benauwd in de trein waarvan de deuren dicht bleven en de ramen slechts op een kier konden.
Romy probeerde zich af te sluiten voor de groeiende paniek rondom haar en begon te sms’en met Olivier, om hem op de hoogte te brengen van het oponthoud. Hij liet weten nog druk aan het experimenteren te zijn met geel gekleurde contactlenzen, en was zonet zijn uier gaan afhalen.
Uiteindelijk werden ze na twee uur bevrijd. Er waren een heleboel mannen in fluovestjes de spoorberm opgekropen, om de passagiers, die als een slang naar de enige open deur in de voorste scheefhangende wagon kronkelden, één na één naar buiten te helpen. Toen Romy eindelijk aan de beurt was, namen twee stevige kerels haar bij de ellebogen vast (ze rook daarbij een dranklucht) en lieten haar, weekendtas in de hand, als een Mary Poppins naar beneden zweven. Tussen de sporen waren enkele gestranden druk in de weer met een fototoestel, hoewel aan en rond het voertuig niet veel te zien was. De lange rij werd langs losliggende, klepperende betonnen platen aan de rand van de berm naar een geschikte plaats geleid om af te dalen naar de parallel lopende straat. Vanwaar de tocht te voet kon worden verdergezet naar het station.
Olivier had in een knippergevecht met zijn gele lenzen achter het stuur gezeten, maar hen toch veilig naar hem thuis gebracht. Daar was het verkleden en schminken al volop aan de gang en kon Romy beginnen met het uitsmeren van witte en zwarte crème op het lichaam van haar vriend. Toen ook de vampieren tot in hun oren wit waren en Romy zich in zwart kant had gehuld, doken ze met zijn vieren in de auto en vertrokken naar het bal.
Het badwater is koud geworden en de lucht ochtendgrijs. Romy en Olivier drogen zich af en verdwijnen onder het donsdeken in de slaapkamer wat verderop. Ze hoort hem weglopen in zijn slaap en blijft zelf zoals gewoonlijk wakker achter, hoe moe ze ook is.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten