dinsdag 18 maart 2008

Er kwam gisteravond in de trein naast mij een plaats vrij waar jij had moeten opstappen, S. Dan had je naast me nog wat kunnen zitten natrillen van de ijskoude man die je onder tafel blies. Me met die roepstem van je vragen hoe het gesteld is met mijn gezondheid en liefdesleven. (En ik zou, zoals steeds, ‘goed’ hebben gefluisterd.)
Nu kreeg ik gezelschap van een man die een beetje stonk. Naar uit werken gaan, had ik de indruk. Naar het opvolgen van bevelen en machtsspelletjes met collega’s. Hij stelde géén afluistervragen aan zijn reisgezel die tegenover hem had plaatsgenomen en er uitzag als een schooljongen. (Die jongen sprak over op café gaan tot vier uur ’s nachts, er niet weg geraken omdat hij er steeds andere bekenden tegenkwam, en ik vroeg me af wie met hèm zou willen praten. Of er achter dat fletse uiterlijk ook een boeiend iemand kon schuilen.)
Ook bij het traplopen in ons tussenstation zag ik je niet. Ik moest het stellen met de kauwgom kauwende lezer van dikke boeken en het meisje met het vluchtende haar.
Zij vragen mij nooit wat - zich hoogstens iets af.

2 opmerkingen:

Sendai zei

Los van het feit of jij daar nu op zit te wachten of niet, zou het me al lang niet meer mogen verbazen, verbaasd te staan van jouw woorden .

alias H.A. Bouwland zei

het is de kunst van de verteller en de bezoeker wat mij inspireert...