Toen mijn dochter gisteren de vinnen van haar dolfijnzeepje afbrak en het daarna verdronk in het zeepbakje, wist ik wel zeker: ze lijkt niet op mij.
Ik was een behoedzaam kind. Bang om te beschadigen. Om te gebruiken zelfs. Ik kreeg de wereld te leen, maar wou dat hij van mij was. (En toen werden de nachten korter en korter en op een dag raakten ze op.)
Het was op steunzooltjes dat ik me door mijn jeugd bewoog. Met maandelijkse bezoeken aan de dokter die me op een spiegel zette en naging hoe de aarde mij zag en voelde. Hoe verpletterend mijn aanwezigheid was. (Nochtans: de anderen liepen zo door me heen.)
Elke keer werd ik weer wat hoger de hemel in gewrongen, en daarvoor mocht ik een kwartier lang ballerina zijn. Met het gips nog tussen mijn tenen danste ik weer het leven in. Mijn moeder, die er haar tijd voor had mogen nemen, wist niet hoe dat moest, en stuurde me met natte voeten naar school.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
1 opmerking:
kind er is iets moois uit jou ontsproten...een uniek wezen...
Een reactie posten