dinsdag 1 april 2008

Soms – altijd bij nacht – verandert mijn huis in het hunne van vroeger. Dan komen de zachte geluiden van anderen die zich naar hun bed begeven mijn kamer binnen, ook al ligt mijn oor diep in het dons begraven. Ik wil niet liggen luisteren naar andere levens. (Hij zei in het witte licht van zijn achtergrond: je moet aan mij denken, daar word je vrolijk van. Ik antwoordde dat ik dan niet zou kunnen slapen van het lachen.) Ik zou mijn ogen moeten openhouden ‘s nachts, dan zou ik zien dat de onderbroken wolken verdwenen zijn, het blauwe kussen dat zij tussen zijn bebloede hoofd en de straat wou schuiven, het grijze linoleum waarop donkere gedachten aan elkaar werden gepuzzeld.
Op weg naar één of andere verre kamer is het altijd de broer die huilt en vervolgens zijn woede uit je lijf schopt. Hij zal slapen met de ogen op het stopcontact gericht, want daar schijnt troost over de dingen die maar niet willen verdwijnen. We worden muurgroot in dat huis, we barsten uit onze leventjes.
Allemaal bleven we wakker voor jaren. We droegen onze helm in bed en zochten naar de wolken.

4 opmerkingen:

alias H.A. Bouwland zei

ik zie niets in het stopcontact...
en jij hebt al vlijmscherp met je mes gesneden...
als we de stekker nu insteken...
en we geven ons licht...
dan gaat alles vanzelf...

alias H.A. Bouwland zei

zullen we de polen een kans geven voor het onderhoud?... buitenlanders verstaan elkaar heus wel...

Soet zei

dit knijpt me in mijn hart
zacht maar dwingend

Maarten zei

je laatste regels knijpen me dicht