Ik hou niet van fel, luid, licht, boos en moet erop letten om niet, net als de meeste van mijn kamerplanten, weg te kwijnen in te arme, uitgeputte grond. Mijn huid is flinterdun en past zich niet aan aan de seizoenen. 's Nachts omhult ze vaak een ijsklomp waar geen kersenpitkussen tegen opgewassen is. Het zijn niet de pitten die hun warmte aan mij geven, maar ik mijn kou aan het kussen. Ik ben mij gewaar van een nacht met daarin een huis met daarin ik. En ik glipt weg telkens ik het bijna denk te pakken te hebben. (Of zijn we dan met twee?)
Ik hou wel van voetzolen op de grond, het eerste koude douchewater erover, het onvermijdelijke ochtendkippenvel. Ik hou van wakker worden en zijn. En van mijn veilig verankerde hoofd (dat daarom al eens mag dwalen).
De orchidee die ik op een broeierig hete dag kreeg, heeft al twee seizoenen overleefd. Elke vrijdag dompel ik haar met pot en al een minuut lang onder in een emmer regenwater, dat week na week kouder wordt. Ik heb haar nog niet zien schrikken en denk: zo wordt ze hard.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten