zaterdag 4 augustus 2012

P.,

Ik was gisteren in je stad, en ze deprimeerde mij. Het leek wel alsof ze een augustusdip had. Opengebroken straten, gesloten winkels 'wegens verbouwingswerken', defecte trein- en tramticketverdelers, vieze voetpaden, uitpuilende vuilniscontainers, stof, zand, stank.
Nochtans: de lichte tred van de wandelaars maakte veel goed. Alsof ze de stad wilden optillen met hun goede humeur.
Vòòr mij liep een vrouw die ik een paar jaar ouder dan mezelf schatte. Zij zag er op het eerste gezicht heel normaal, zelfs fris uit (korte, netjes geknipte haren, een rood blinkend rugzakje, opgewekte tred),
tot ik haar schoeisel in de gaten kreeg. Of eerder: de gaten in haar schoeisel.
(Het waren eigenlijk slippers, maar verdienden niet méér dan de naam 'schoeisel'.)
Ze liep zo goed als blootsvoets. Dwars door plakkerige etenswaarverpakkingen en -resten en hondendrollen heen, zonder haar blik naar beneden te richten.
Ik er voorzichtig op mijn sandalen rond de rotzooi slalommend achteraan.
Pas toen zag ik dat ook het rugzakje tot op de draad versleten was.
Het broodje dat ik bij Exki kocht heb ik, bij gebrek aan zitbanken in het Nieuwe Station, op een perronstoeltje langs spoor 11 in een geur van urine opgegeten.
Toen even later de trein eraan kwam, en een jonge kaalgeschoren kerel in geruite kniebroek ondanks het 'niet instappen' - sein door de deuren naar binnen glipte,
zag ik hem - gelukkig voordat ik hem tot de orde had kunnen roepen - in de bestuurderscabine verdwijnen.
Ik weet niet hoe het met jou zit, maar ik wil eigenlijk liever niet door een snotneus in kniebroek over de sporen worden meegesleurd.
Wat is er van het Uniform geworden? Dat straalde tenminste gezag en bekwaamheid uit.
De Treinbegeleider keurig in het pak en de bestuurder in vrijetijdskledij
is voor mij zowat hetzelfde als de stijve pinguïnober die de boven de soep niezende kok verbergt.

Buiten is overgewaardeerd, P. Net als 'terrasjes' en 'barbecue' en 'tropische temperaturen'.
Soms ben ik stiekem blij dat het regent, zodat ik een excuus heb om niet naar buiten te hoeven.
Vorige week was ik het terraszitten zo beu, dat ik een zonnige dag in de zetel heb doorgebracht.
Mijn lezen niet gestoord door joelende kinderen of insecten of rode schouders achteraf.
Ik was vroeger al een binnenkind. Hoor mijn ouders nog zuchten: ga nu toch eens Buiten spelen.
(En haal je hoofd uit dat boek.)
Mij zeggen bleke gelaten en computerogen en denkrimpeltjes alleszins méér dan bruinlederen in een zweetlaagje gehulde mannenlijven of door zon gegroefde gezichten.

Vandaag werd A. dertien. Een ongeluksdag, zo bleek.
Trof haar deze voormiddag in tranen aan: ze had even daarvoor haar kat dood op straat gevonden. Een zwarte.
Terwijl ik haar in de veranda troostte, hoorden we achter ons haar vaders spade zwaar in de aarde terechtkomen
bij het graven van een put.
Op de grond ernaast lag een groene handdoek waar enkele stille witte pootjes onderuit kwamen.
A., snikkend: "Ik word nog liever in mijn droom door een geest van de trap geduwd dan dit."
Kinderverdriet kan toch zo intens zijn.

Liefs.

p.s.: Op weg naar A., op de fiets, had ik moeten remmen voor een snelheidsduivel die daarna zèlf alsnog op zijn rem ging staan om mij mijn voorrang te gunnen. Even later scheurde hij weg, een straat in die naar A's huis leidt.





Geen opmerkingen: