In "Het Anker" legde hij zijn hand snel op de mijne, zo tussen de oude mannetjes achter hun bierglazen, die allemaal op elkaar leken met hun rode gezichten, bobbelige neuzen en grijze petten naast hen op de bank. Ze dronken ook allemaal pils.
Hij had mijn hand meegenomen naar het midden van de tafel en liet de zijne er vreemd en zwaar op rusten. Ik was te jong om mezelf te bevrijden. De enige vrouw in het café.
Ik zag de waard vanuit zijn ooghoeken door de sigarettenmist naar ons gluren, ondertussen glazen droogwrijvend met een smoezelige handdoek. Het water in mijn glas, waarvan ik een sterk vermoeden had dat het uit de kraan kwam, smaakte me niet. Het glas zette ik aan mijn lippen zonder ernaar te durven kijken. Mijn klamme hand maakte het bruine triplexhout van de tafel kleverig en ik wou daar weg. Terug naar mijn appartement, waar ik me die ochtend nog nerveus-opgewonden had opgemaakt met de zon op mijn gezicht, niet eens wetend of hij wel zou opdagen op de plaats waar ik hem verwachtte. Omdat hij niet op de hoogte was van mijn komst, mijn eenzijdige afspraak in de tunnel onder de Berchemse sporen, en ik enkel uitging van zijn verschijnen daar een week eerder voor een afspraak met zijn zangleraar. Toen hij de perrontrappen kwam afgestormd op zijn foute en veel te jeugdige sneakers, leek het alsof hij tegen een onzichtbare muur opbotste toen hij me zag, en nu zat hij tegenover mij in plaats van in de zangles, en ik piepte bijna van angst.
Met mijn ogen op de tegelvloer gericht verliet ik "Het Anker", gevolgd door een lichte sneakertred. Buiten liet ik hem me vluchtig op de mond kussen, waarna ik me gehaast omdraaide en bijna onder een auto liep. In de trein zakte ik uitgeput neer op een bank. Mijn hand rook naar bier en de wagon wiegde me naar huis.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten