donderdag 26 april 2012

L.,

Hoe groot de nood ook is om weg te gaan in mijn hoofd, toch is er dit moeë lichaam dat nu al dagen niets anders wil dan slapen onder een deken. Veilig toegedekt, of eerder: eronder begraven. Ik wil armen maar evengoed niemand om me heen.
De tien druiven in mijn buik kunnen het hongergevoel niet stillen, maar voor jou ben ik bang omdat je me zo goed kent.
Ik moet lachen met mijn jaren vijftig situatie, maar een leider die niet leidt: dat is triest.
Op afstand ben je zo voorkomend en altijd daar; in het echte leven grijp je mij naar de keel (of een ander lichaamsdeel). Ik ben nog altijd oker, jawel.
Jij roept je kussen en ik lach terug, maar verder blijft alles bij het oude en ik voel me zo'n trut. - Je mag me nooit meer uitpakken, en ik leg nooit meer dat hoofd tegen je rug.

Geen opmerkingen: