Ze stierven onduidelijk, alsof ze er op een dag zomaar mee ophielden en ons niet wilden vertellen waarom.
Omdat ze de ander misten, ja, en dat gemis van uur tot uur hen te veel werd. Ik hoor het hem nog zeggen, met zijn gebroken stem: de aftiteling rolde over het scherm en ik zei tegen haar: 'mooie film, hè?', maar er kwam geen antwoord en toen besefte ik: ik ben hier alleen. Zijn traan op het tapijt in de kerk was toen allang opgedroogd, en die stug voortlevende verliefdheid, wat moest hij daar nog mee? Hij wou alleen maar zijn waar zij was.
Ik zie hoe haar schedel haar gezicht langzaam inneemt en ook zij zich geen raad weet. Ze bakt pannenkoeken en zet koffie, haalt het ijs uit de vriezer. De sinaasappelsaus is lauw. Het zijn nerveuze handen die ons, kinderen, voeden. Wij dragen onze hoofden zwaar en vol verleden. Niemand kon dit voorzien.
Zullen jullie ook naar me zwaaien en dan gaan? Met angst voor een hel nog op de lippen? En een duidelijke inademing, gevolgd door een duidelijke uitademing?
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten