woensdag 19 oktober 2011


Lieve J.,

Ik hoorde je stem voor het eerst toen je me opbelde terwijl ik in bed lag met een gekwetste rug na een val van de trap. Je klonk zoals je schreef: als de jongen Thijm die enkel leefde in verhalen. Je sleepte me mee in je prachtige zinnen: zo had ik je leren kennen.
Toen mijn rug hersteld was, wou je me zien. Ik was bang dat dat ons schrijven zou stoppen, maar gaf uiteindelijk toe.
Je had een afspraak geregeld op een brug in een Antwerps industriegebied. Omdat ik de weg niet kende, bracht mijn vriend Tom me er met de bus naartoe. Daar stond ik dan, voor een enorme openstaande brug die een schip moest doorlaten, in the middle of nowhere, met aan de overkant vermoedelijk jij. Toen de brug na een kwartier weer toegankelijk werd, zag ik al gauw een jongen van de andere kant aan komen wandelen. Ik vroeg me af of jij het was, kende enkel je leeftijd. Maar de jongen passeerde en zei: 'Hij staat aan de overkant te wachten'.
Je wou alles van me weten, zelfs het merk van de papieren zakdoekjes die ik uit mijn tas haalde. We wandelden richting centrum, een hele tocht, en onderweg bleef je maar vragen en naar me kijken. Daar werd ik verlegen bij. Ik besefte al gauw dat ik te stiekem voor je was.
Je leek me een zondagskind en pijnlijk zelfzeker. Maar ook lief en attent. Toen we drie kwartier later halt hielden voor een café, merkte ik kleine zweetdruppeltjes op op je voorhoofd. Zelfs die leken daar op hun plaats.
In het café werd je vriendelijk begroet door jan en alleman. Je was deftig gekleed, een beetje klassiek, zoals paste bij de rechtenstudent die je was. We aten toast met tonijn, wandelden verder, je vertelde over je studentenjob in een drukkerij.
Aan Het Steen waren fluo-oranje mannen in de weer met luidruchtige blazers die de herfstbladeren samendreven. Je gaf me een envelopje, met de opdracht dat pas te openen wanneer ik naar Antwerpen zou zijn verhuisd over enkele maanden.
In de foyer van de Bourlaschouwburg bleek je ook geen onbekende. Ook daar werkte je immers, als aanwijzer van zitjes. Ik dronk thee, jij een glas melk. Je hield niet op met vragen, kende me al bijna beter dan ik zelf.
's Avonds kwamen we terecht in een sober, nogal donker café op 'het Zuid', waar vooral oudere rockers zaten en jij heerlijk uit de toon viel in je debardeur. Het was nochtans een café dat je kende en waar je wel vaker kwam, zei je.
Plots moesten we ons haasten voor elk een laatste trein (jij woonde wel in Antwerpen, maar zou daar niet overnachten). Hollend over de donkere Leien in heraanleg, raakte mijn laars even vast tussen nog niet afgewerkte tramsporen, en gleed jij even later tijdens het liften van een bermpje. We waren wat giechelig van de wijn.
Twee sympathieke meisjes brachten ons met de auto naar het station. We haalden maar net onze treinen.


Toen ik aan het eind van dat jaar naar Antwerpen was verhuisd, was één van de eerste dingen die ik deed je envelop openmaken. Er zat een kaartje in met een adres, ik vermoedde het jouwe.
Op dat adres vond ik een gebouw met gelijkvloers een bloemenwinkel en daarboven appartementen. Jouw naam zag ik op geen enkele van de bellen.
Maanden later vroeg je me of ik de envelop had geopend. Je had voor mij, op vertoon van het kaartje, een boeket geregeld in de bloemenzaak van een kennis. Toen ik er de dag erna opnieuw langsging, zag ik enkel een lege ruimte achter het glas.

1 opmerking:

alias H.A. Bouwland zei

ik lees bewust zijn in optima forma