woensdag 2 november 2011





Ik cirkel rond twee marmerwitte naakte vrouwen met onbewerkte nek in een net-niet-omhelzing, elkaar alleen aanrakend via het ruwe gedeelte dat hun buiken verbindt. Hun perfecte billen zijn voor altijd gevrijwaard van cellulitis en verslapping. Ook al missen zij armen, niemand haalt hen uit elkaar.
In de abdij sluipt de dood door de kille gangen over afgesleten vloeren, onder kromgetrokken plafonds en tussen kleurrijk glas-in-lood. Langs de ogen van eeuwenoude abten, vergeeld en gekrakeleerd in hun kaders. Groen gras en zon op de binnenplaats.
Een lijzige mannenstem duwt een eindeloos gedicht door het gangenvierkant, en wij kijken naar schriele wassen mannetjes met haren in de oren, benige handjes en dunne blauw dooraderde schedels. Foto's van mensen op de rand van het leven of reeds weggegleden, dieren van latex gevangen in een schemertoestand, een doodshoofd van fijne glaskorrels die suiker of sneeuw lijken te zijn, een babybadje uit hetzelfde materiaal met als stop waarmee het water (en dus het leven) kan vastgehouden worden een keramische genummerde penning die bij een crematie diende als identificatie. Lampjes gericht op oude wazige krantenfoto's van lijken, een 'loop' van in elkaar vervagende fotootjes op grafzerken: man wordt vrouw wordt oud wordt jong, grijs canvas dat pas na enkele seconden het lichaam erop prijsgeeft en hoe langer hoe meer in detail treedt.

Buiten bloedt de aarde. Ze knispert onder onze voeten. Het is warm voor de tijd van het jaar.

Geen opmerkingen: