Dag S.,
We hebben ons verwaarloosd, nu we elkaar niet meer nodig hebben.
Onlangs had ik het met W. over de veiligheid van slapen, en hoe ik vaak wakker lig in mijn grote slaapkamer als was het een jungle waarin ik elke minuut op mijn hoede moet zijn. Dat restant oervrouw in mij dat zich gereed houdt om te vechten of te vluchten.
Ik moest daarbij aan jou denken. Aan de twee afzonderlijke nachten waarin je over me waakte.
De eerste nacht bracht je door op een schapenvel in mijn woonkamer, en je had het koud. Hoeveel dekens ik je ook bracht.
Boven ons af en toe het kraken van het plafond, waarover de man liep die me honing, thee, spruiten en hele ananassen in de handen stopte. En me anonieme kaarten stuurde vanop zijn reizen, in lastig te ontcijferen Engels.
De andere keer was in het appartement van je vrienden die op reis waren. Toen sliep je in een zetel, alweer in de woonkamer, terwijl ik wakker lag in hun bed, waarop ze elkaars troetelnaampjes hadden gekleefd. Daar zo onder dat 'beertje' en 'molleke' te moeten liggen, porde venijnig in mijn eenzaamheid. Want mijn ouders, man en lief waren er allemaal vandoor. En jij, mijn trouwe vriend, was niet genoeg.
Het sneeuwde, weet ik nog. Jij en ik liepen die dagen met houten benen over de ijzige straten van Antwerpen, elkaar af en toe vastklampend opdat we niet zouden vallen. Iets wat trouwens onze hele relatie typeerde.
We waren op zoek naar een huis, een thuis, warmte. Om de beurt droegen we elkaar.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten