Ik ging pas naar het adres op het papiertje toen ik er een jaar woonde en niet meer opschrok van het jodinnetje dat me vanuit een donkere portiek dingen toefluisterde wanneer ik er voorbij wandelde. Het bleek een verlaten bloemenwinkel te zijn met nog slechts witte letters op vieze ruiten. Voor mijn boeket kwam ik te laat - zo'n zes maanden.
Ik ben er nooit thuis geweest, was bang voor het gestommel boven mijn hoofd van de man die steeds op reis ging en me dan vreemde kaarten stuurde met donkerblauwe zeeën en kriebelig halfengels op de achterkant. Als ik ging klagen over de geluiden, zoog hij me zijn kamers in en vulde mijn handen met theebuiltjes, een pot honing, snoepjes en een ananas. (Want wie zou dat opeten als hij op reis was?) Dan zette hij zich op de bank in de verder lege woonkamer, om me met een klopje op de plaats naast hem naar zich toe te lokken. Ik balanceerde op zijn gastvrijheid en bleef daar staan in het midden van het vertrek. In zijn slaapkamer wou hij me de afwezigheid van geluid tonen, het ronde matje naast het bed, de pantoffels instapklaar.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
2 opmerkingen:
jou jodenkoeken smaken mij goed...
soms is het fijn om een smaak vast te houden...ik laat dan verder het eten staan om echt te genieten...
Jij bent daar nog geweest, Henk, in het appartement van nog geen drie maanden. De avond van Etten-Leur, met nog net dat hoekje van de kamer waar we konden gaan zitten, en de vrouw die kraaide hoe móói ik was. (En de liggers, maar die zitten nu opgesloten.)
Je had een slaatje bij je - met zalm, als ik me niet vergis - en dat mocht ik opeten.
Een reactie posten