donderdag 30 juli 2009

In een warme auto, met mijn ogen verborgen achter donkere glazen, zag ik mezelf – in een niet zo onwaarschijnlijke toekomst – in mijn eentje aan het houten tafeltje in de rozentuin zitten. Vóór mij de lege plek waar hij had moeten zitten, witte armen op het donkere hout, onder al dat verdriet dat hij nooit kreeg afgeschud. De rozen zouden nog steeds hun zware zoete geur verspreiden, maar verder zou er alleen maar stilte zijn. En een zon, ergens ver weg achter bomen, want onze huiden zijn zo fragiel.
Kon het maar altijd dit middaguur blijven. En niemand keek zijn zonnebril voorbij.
In een andere tuin op dezelfde dag staan huisjes met kierende deuren. Gebroken glas en roze schedels, een vloerloos huis op een eikentop geplant! In een koude kamer draait klei ons voor de ogen (in een loop die ons wel dagen hier zou kunnen houden, om de groene tuin geleid).
Boven draag ik een zwarte sluier, D. houdt mij vast boven mijn val. (Wie voor het oog loopt, zet het hele landschap in beweging.)
Ik ben uit mijn stramme ledematen gekropen, hielp de kleine jongen bij het gevangen houden van zijn wesp in een glas. (Hij verbaasde zich over hun ontsnappingsdrang, over het vinden van kleine gaatjes – ik vroeg hem: wat zou jíj dan doen?) Af en toe blies hij wat van zijn adem in het glas, als wou hij tonen: zo’n beul ben ik nu ook weer niet.

1 opmerking:

alias H.A. Bouwland zei

ik lees elk verhaal heb ook alle blanke bladzijde's gespeld
je blijft boeien...